Ratelslang

Op twintig minuten rijden van ons huis in hartje Las Vegas, loop je de wildernis in. Sloan Canyon heet het beschermde, 200 km² grote natuurgebied. Het hoort bij Henderson, een voorstad van Las Vegas. Waar de laatste, nieuw gebouwde villa’s van Henderson ophouden, begint het wilde heuvellandschap. Sloan is Gaelisch voor strijder. Een Gaelische naam voor een woestijngebied? Als je de cactussen wegdenkt hebben de grillig gevormde bergen en de opgedroogde meren die in de lente met een groen tapijt en wilde bloemen bedekt zijn, wel iets van de ruige binnenlanden van Schotland.

In april wandelden we voor het eerst in dit landschap van lang gestorven vulkanen. Om ons heen strekten bloemen in alle kleuren zich uit naar de achter de wolken schuilgaande zon. Nu, half mei, waren de meeste bloemblaadjes al weggevoerd door de wind, maar de rust en stilte gaven het gebied nog steeds wat betoverends. Op een hardloper na kwamen we niemand tegen.

We liepen dezelfde route als een maand eerder: een kilometer of acht, klimmend en dalend over meanderende paden, langs planten en struiken met namen als brittlebush, desert trumpet en fiddleneck. Kleine hagedisjes schoten voor onze voeten weg. Soms hoorden we een fluitend geluid als treurduiven opvlogen en over ons heen scheerden. Flycatchers, zangvogeltjes die in het Nederlands ‘tirannen’ heten, hapten insecten genadeloos uit de lucht.

Af en toe stopten we om een familie van helmkwartels, met vaak wel twaalf kuikens in het kielzog, te laten passeren. Paniekerig schoten de kleine bolletjes, die nog moeten leren geordend in een rijtje te lopen, alle kanten uit. Het duurde lang voordat de zenuwachtige ouders hun kroost weer bij elkaar hadden. En in de woestijn loert constant het gevaar…

Wij waren ons niet bewust van enig gevaar. Hand in hand struinden we voort. We bespraken een documentaire die we onlangs hadden gekeken. Een Ierse priester (Malachi Martin) die in de vorige eeuw uit naam van God duizenden duivelsuitdrijvingen deed, kreeg die duivel niet verdreven uit een vierjarig meisje. Niet lang na de mislukte uitdrijving, viel de 78-jarige priester in zijn huis in New York van een trapje. Een onzichtbare kracht, de duivel in het kleine meisje, zou hem van het trapje geduwd hebben, wist hij nog te vertellen voordat zijn hoofdletsel hem fataal werd.

Terwijl we druk in gesprek waren over het uiterst tragische lot waardoor de man getroffen werd, hoorden we plotseling een luid geratel. Net na een bocht, op anderhalve meter voor ons richtte een grote slang zijn ratel op en keek ons venijnig aan. “Snake!” riepen wij en maakten rechtsomkeert. Waarbij wij over elkaar heen struikelden en op drie meter van de slang hard tegen de grond sloegen. Scherpe stenen boorden zich in ons vlees en bebloed hezen we ons overeind. Inmiddels was de ratelslang beleefd voor ons aan de kant gegaan. Hij lag niet meer op het pad, maar ernaast.

In een grote bocht strompelden we langs de slang, onze route vervolgend. Hadden we tot de orde van Malachi behoord, dan hadden we dit als een teken van de duivel gezien, omdat we om Malachi’s lot gelachen hadden.  We vermanden ons, bedankten de Schepping voor het bestaan van de ratel – een geweldig alarmsignaal – en namen ons voor Sloan Canyon voorlopig te vermijden.  Het was hier niet voor niets zo rustig; de bordjes bij de ingang waarschuwden voor rattlesnakes. Dit was Schotland niet.

All rights reserved © 2018 Dutch Vegas Life / Mayke Kranenbarg

De Jury

JURY SUMMONS stond er vetgedrukt op de brief. En in grote, rode letters: YOUR RESPONSE IS REQUIRED UNDER NEVADA LAW. Randy, mijn man, kreunde. Hij stond niet te springen om als jurylid bij een zitting te verschijnen. Als Amerikaan was het wel zijn burgerplicht. Weigeren kon hem op een boete van vijfhonderd dollar en drie dagen gevangenisstraf komen te staan. Tenzij hij aan zou kunnen tonen ernstig ziek te zijn of andere overmatige ontberingen te lijden. Dat hij tijdens de juryzittingen niet uitbetaald zou worden door zijn werkgever was geen reden voor ontheffing. Na de tweede dag zou hij bovendien per dag veertig dollar van de rechtbank krijgen; genoeg om eten en benzine van te kopen. Niet om de huur van te betalen.

Op een winterse maandagochtend meldde hij zich, samen met meer dan honderd anderen, om half acht bij het gerechtsgebouw in Las Vegas. Die ochtend had hij nog tot drie uur gewerkt, en hij was niet de enige die gapend bij de ingang stond. Om hem heen hoorde hij hoe er fluisterend tips uitgewisseld werden over hoe onder de juryplicht uit te komen. Vandaag was namelijk een selectiedag. Het stond nog niet niet vast wie er uiteindelijk in de jury box (de jurytribune) zitting zouden moeten nemen om over schuld of onschuld te beslissen. Bijna niemand kon zijn of haar inkomen missen.

In een grote zaal op de derde verdieping kreeg de groep een filmpje te zien dat het jurysysteem prees. Een rechter van een jaar of zestig hield een praatje. Met rode konen en bijna op en neer springend van plezier vertelde hij over het belang van de jurytaak en dat het een eer en privilege was om in de stoel van de jury te mogen zitten.

Veel Amerikanen geloven heilig in dit systeem en denken dat het proces er eerlijker op wordt als een groep leken op basis van zogenaamd ‘gezond verstand’ bepaalt of iemand al dan niet schuldig is. Rechters zijn hier meestal advocaten die geen extra training hebben gehad. Ze zijn bovendien vaak blank, man, welgesteld, van middelbare tot oudere leeftijd en religieus. Daar komt hun universitaire opleiding nog bij. De redenering is dat het gewone volk de meeste van deze kenmerken niet deelt en het daarom eerlijker is dat een ‘gewoon’ mens berecht wordt door zijn gelijken, die hem beter zouden begrijpen dan een rechter. Kennis van de wet is niet nodig. Dit is natuurlijk net zoiets als wanneer je blindedarm verwijderd wordt door je buurman die geen artsenopleiding heeft gedaan.

Wat in de verheerlijking van dit systeem bovendien wordt vergeten, is dat juryleden onderhevig zijn aan de manipulaties van gewiekste advocaten die heel goed weten hoe ze op sentiment moeten inspelen. De zaak O.J. Simpson spreekt boekdelen.

Na het praatje van de rechter moest iedereen zich per rij laten registreren. Een tengere man van een jaar of vijftig begon hard te schreeuwen toen ‘zijn’ stoel bezet bleek door een ander na terugkomst van de registratie. Al stampend eiste hij zijn stoel terug, tot een medewerker dreigde de bewaking op hem af te sturen. Had hij ze gewoon niet op een rijtje of was het een tactiek van een juryontduiker?

De grote groep werd opgesplitst in vier groepen, waaruit juryleden voor vier verschillende rechtszaken geselecteerd zouden worden. Een gerechtsbode ging de groep waar Randy in zat voor naar een zaal hoog in het gebouw.

The Jury!” riep de bode. Een rechter, griffier, drie advocaten met hun assistenten en vier personen in burger stonden op toen de groep, waarin alle huidskleuren en leeftijden vertegenwoordigd waren, binnenkwam.

Randy mocht meteen de jury box, met twaalf zitplaatsen, in. De overige juryleden namen plaats op de publieke tribune. Ieder jurylid legde de eed af en beloofde de waarheid te zullen spreken.

Een van de advocaten vertelde over de zaak waar twaalf juryleden voor nodig waren. Zijn cliënte, een klein Filipijns vrouwtje van midden zestig, klaagde haar fysiotherapeut, arts en de medische kliniek waar ze werkten, aan. Ze had oefeningen moeten doen die ernstige rugklachten hadden opgeleverd.

Haar arts en fysiotherapeut waren aanwezig, evenals hun twee advocaten. Haar dochter was er ook om voor haar te vertalen.

Het was nu aan de advocaten om de juryleden voor de rechtszaak te uit te kiezen. Dit proces heet voir dire (“spreek de waarheid”) en dient ertoe een onpartijdige jury te vormen die een oordeel op basis van de wet kan vellen. In de praktijk proberen advocaten er natuurlijk achter te komen hoe een jurylid tegenover de zaak staat, om zo met hun keuze de uitkomst van het proces al vooraf te kunnen beïnvloeden.

De aanklagende advocaat mocht als eerste drie uur lang vragen stellen aan de juryleden. Daarna was het drie uur lang de beurt aan de advocaat van de verdediging.

Zoals de advocaten erachter probeerden te komen wie hun belang het best diende, zo probeerden de meeste juryleden, waartussen zich onder meer een arts, advocaat, doktersassistente, student, ondernemer, medewerker van een pizzeria, kapster en drie gepensioneerden bevonden, antwoorden te geven waaruit hun ongeschiktheid als jurylid zou blijken. Er werd veel ongeïnteresseerd gekeken en gegaapt. Advocaten zijn altijd op zoek naar positieve juryleden. Voor de advocaat van de verdediging is het ook nog eens van belang dat de juryleden niet te intelligent en assertief zijn. Een dommig, meegaand jurylid is het gemakkelijkste te overtuigen.

De vragen gingen over het werk en het werk van partners, welk onderwijs men genoten had, hobby’s, of men actief was op een Facebookgroep of op politiek gebied, of men ooit met justitie in aanraking gekomen was, kranten of tijdschriften las, favoriete tv-programma’s had, welk bekend persoon men bewonderde, en of er medische problemen speelden bij zichzelf of familie.

De assistente van de advocate schreef alle antwoorden op wel honderd kleine, gekleurde plakbriefjes. Haar bureau leek op een lapjesdeken.

De rechter zei niet zoveel. Heel af en toe stelde hij een vraag om iets op te helderen. Hij had net zo goed een dutje kunnen doen.

Tussendoor trokken de advocaten zich samen met de rechter terug voor beraad, waarna een of meerdere van de juryleden de box mocht verlaten en een nieuw persoon erin plaats nam, zodat er steeds een stoelendans van potentiële juryleden was.

De procedure nam de hele dag in beslag. Er was een pauze van 45 minuten, maar de rij bij het restaurant was zo lang dat iedereen met rommelende magen terugkeerde naar de rechtszaal.

Na een laatste beraadslaging kwamen de advocaten samen met de rechter tot een keuze.

De oudere Aziatische man die er aldoor met een verwarde blik bij had gezeten omdat hij nauwelijks Engels sprak, mocht gaan. Ook de advocaat die had laten weten dat hij dit soort mensen zelf veel vertegenwoordigde en aan de kant van de aanklaagster stond, mocht naar huis. Voor de arts en doktersassistente gold hetzelfde.

Een blanke man van midden veertig die, gevraagd naar de liefdadigheidsinstellingen van zijn voorkeur, “The Heart Foundation” en “The National Rifle Association” had genoemd – een curieuze combinatie als je het mij vraagt – werd gekozen en was blij.

Ook de gepensioneerde blanke man die graag boeken las en er al die tijd geïnteresseerd en alert bij had gezeten, mocht tot zijn plezier deel uitmaken van de jury. Naast lezen had hij vast niet zoveel te doen.

Randy had zijn hand opgestoken toen er gevraagd werd of er iemand betrokken was bij een lopende rechtszaak. Als een soort whistle-blower was hij onlangs ten strijde getrokken tegen de vuile praktijken van een bank. Met zijn afkeer van de grote, machtige corporaties – naamloze vennootschappen die voor veel ellende zorgen in de Verenigde Staten – en zijn uitspraak “Ze kunnen doen wat ze willen en maken misbruik van de gewone mensen,” bleek hij, in ieder geval voor de verdedigende partij, een verre van geschikt jurylid. De kliniek van het Filipijnse vrouwtje maakte immers deel uit van een medische corporatie.

Na tien uur in het gerechtsgebouw doorgebracht te hebben, mocht hij naar huis. De huur zou deze maand gewoon betaald kunnen worden.

De uitgekozen juryleden moesten de komende vijf werkdagen hun taak als jurylid gaan vervullen. Voor de gepensioneerden geen probleem. De anderen misten zes dagen aan inkomen: in een land waar veel mensen al twee banen hebben om de eindjes aan elkaar te knopen, een financiële ramp.

Het niet meer van deze tijd zijnde jurysysteem is natuurlijk ook een ramp voor het rechtssysteem waar niet de wet zozeer zegeviert, maar slimme advocaten. Uiteindelijk draait het ook in dit systeem weer om de macht van het geld: wie een goede advocaat (die charismatisch is en een jury voor zich weet in te nemen) kan betalen, heeft de grootste kans op vrijspraak, schuldig of niet.

All rights reserved © 2018 Dutch Vegas Life / Mayke Kranenbarg

Wild West

Onze buurman heeft zich de woede van een motorbende op de hals gehaald. Laatst zijn de ramen van het huis naast ons doorzeefd met kogels.
Wij wonen hier net drie weken. Na jaren in lawaaierige appartementen, verlangden we naar stilte. Eind december verhuisden we naar een klein huisje met tuintje op een hoek in wat een (voor Las Vegaanse begrippen) slaperige woonwijk leek.

Op Tweede Kerstdag kregen we de sleutel. Binnen was het steenkoud. De koude winterlucht blies onder de te korte voordeur door. Randy checkte de dunne, kierende ramen en ontdekte dat die gemakkelijk uit de kozijnen konden worden gelicht. “We zien van de huur af!” riep hij. Wat natuurlijk niet kon.  Het huurcontract was al ondertekend. De voetafdruk in de voortuin, net onder het raam, en het gat in de hor, hadden wat sinisters.

De volgende ochtend kochten we slotjes voor de ramen.
Bij thuiskomst vloog een ouder echtpaar op ons af en riep of wij de nieuwe buren waren. “Wij komen uit het zuiden en zijn gastvrij!” Met hun grote lijven omhelsden ze ons. Het waren de ouders van onze buurman. Vorige week was er via het raam ingebroken in zijn huis.

Hun zoon, Mark, was op doordeweekse dagen inspecteur in Californië. Zijn ouders pasten deze week op het huis samen met hun jongste zoon en diens vriendin.

Met geen stampende buren boven ons en geen door de muren dreunende rapmuziek, prezen wij ons gelukkig. De dunne ramen lieten wel alles van buiten door. De buurjongen maakte ruzie met zijn vriendin en schold zijn vader uit.  Die maande hem tot kalmte: “Ik ga zo je lithium  halen, jongen.”
Mark zagen we die zaterdag aan de andere kant van het muurtje in de tuin. Het was een grote kerel met een kaal hoofd en tatoeages tot aan zijn nek toe. Hij zag er niet uit als een inspecteur.

Een paar dagen later schrok ik wakker. Had ik schoten gehoord of het gedroomd? Het was half vier in de ochtend. Randy kwam de slaapkamer binnen. Hij had vlakbij vier schoten gehoord. Samen tuurden we uit het keukenraam. Een man liep naar een auto en bekeek deze grondig. Even later zagen we het blauwe licht van een politieauto.

De volgende middag kwamen de ouders van Mark langs om ons te informeren over de schietpartij van die nacht. Mark’s auto was het doelwit geweest en wilde nu niet meer starten. “We maken ons zoveel zorgen!” riep de moeder uit.

Mark’s ex-vrouw was tijdens hun huwelijk vreemd gegaan en zwanger geworden van haar minnaar. Na de scheiding had Mark haar auto en smartphone, die onder zijn naam geregistreerd stonden, van haar afgenomen. De inbraak, het schieten op de auto… volgens zijn ouders waren het wraakacties van de ex en haar vriend, die lid was van een motorbende.
Ook de bekladding van de muur van hun eigen huis weten ze aan de revanche van hun voormalige schoondochter en haar motorvriendjes.

Motorbendes, in Las Vegas zijn er tientallen, waarbij vooral de Hells Angels, de Mongols, de Bandidos en Vagos een slechte reputatie hebben, staan erom bekend dat de leden het voor elkaar opnemen. Op één actie volgen er meestal meerdere.  Veel leden zijn ex-militair. Via gewelddadige klusjes klimmen ze hogerop in de hiërarchie van hun club.

Die middag liepen wij een rondje om de zwarte pick-up van de buurman. We telden de kogelgaten.

Een week na de eerste schietpartij popten mijn oordoppen bijna uit mijn oren. In de hal botste ik tegen Randy aan. Hij was net terug uit zijn werk en had in de huiskamer achter de computer gezeten. Was op de vloer gedoken toen hij de luide schoten hoorde. 
We belden 911. Randy deed het verhaal aan de telefoniste van de alarmcentrale. Over de aanscheurende auto die hij gehoord had. Dat er daarna vijf keer geschoten was. Bij het verbreken van de verbinding hoorden we iets wat op een raceauto leek. We drukten onze neuzen weer tegen het keukenraam. Een SUV schoot door de straat en kwam met piepende remmen naast de al doorzeefde pick-up van de buurman tot stilstand. Er klonken vier schoten.

Die nacht waren er buiten tien politiemannen bezig met de zaak. De eerste schietactie was gericht geweest op het huis van de buurman, waar gelukkig niemand thuis was. Het raam van zijn woonkamer, niet ver van ons raam, was kapot geschoten. Ook in de muur zaten kogelgaten.
Buurtbewoners kwamen hun huizen uit, jassen over pyjama’s heen. Een man uit het rijtje tegenover ons jammerde dat hij dit nog nooit meegemaakt had.  Een buurvrouw vertelde dat ze onze buurman een aantal maanden geleden twee assault rifles (volautomatische aanvalsgeweren) zijn huis had binnen zien dragen. Deze wapens (waarvan de eerste versie, het Sturm gewehr, ontwikkeld werd door Hitler) worden vooral in het leger gebruikt. Ze hebben een bereik van minstens 300 meter en er kunnen 20 tot 50 kogels achter elkaar mee worden afgeschoten. In de Verenigde Staten zijn ze volkomen legaal. Dit zijn de wapens waarmee verwarde personen hier door de jaren heen slachtoffers hebben gemaakt in winkelcentra, op scholen en universiteiten.

Een paar dagen later liet buurman Mark zijn total-loss geschoten pick-up afvoeren. Het ding was teveel een schietschijf geworden. Sindsdien is het rustig. Misschien is de wraakzucht van de motorbende gestild of nemen ze geen risico meer nu de politie dagelijks door onze straat rijdt.

Sinds de laatste schietpartij loopt er meerdere malen per dag een cowboy langs ons huis. Hij is een jaar of zestig, draagt een cowboyhoed en –laarzen en in zijn holster een pistool dat glimt alsof hij het dagelijks oppoetst. Hij wandelt naar de nabijgelegen basisschool om zijn kleinkinderen op te halen en loopt soms nog even met ze naar de ijssalon. Deze opa is op alles voorbereid. Met zijn losse looppas, zijn hand ontspannen naast het holster,  straalt hij het zelfvertrouwen uit van iemand die zichzelf, zijn kleinkinderen en de hele buurt kan verdedigen als het nodig is.

Wij houden niet van vuurwapens, maar wel van onze langs het huis patrouillerende buurtcowboy. Lucky Luke noemen we hem liefkozend.

 

All rights reserved © 2017 Dutch Vegas Life / Mayke Kranenbarg

Vreemde vogels in Las Vegas II – De Mormoon

mormon

Als recente immigrant voel ik me vaak een wat vreemde vogel in Las Vegas. Het is dan prettig als je je kunt identificeren met anderen die hier wat uit de toon vallen. Dat kan een verdwaalde ibis zijn of een Mormoon op bekeringspad in een stad vol zonden…

Deel 2: De Mormoon

Het was een warme namiddag in de wetlands, op dat bijzondere moment net voordat de avond invalt en alles even verstilt, totdat de vogels losbarsten in hun laatste concert van de dag. We hingen over een bruggetje en keken in het water onder ons naar een plecostomus, een grote algenetende meerval die zich traag over de bodem voortbewoog, toen we werden aangesproken door een man van een jaar of zestig. Hij droeg een klein baardje, een bril, een pet, een rugzak en wandelschoenen, en stelde zich voor als David. Randy, mijn man, droeg die dag zijn Death Valley t-shirt met daarop een grote doodskop van een buffel, en dat had David’s interesse gewekt. Hij wilde weten of de ‘vallei des doods’ zich goed leende voor het maken van foto’s. Na wat uitwisselingen over de zoutvlakten, de tweehonderd meter hoge duinen, de zich mysterieus verplaatsende stenen en de enorme krater, viel er een stilte. Hij keek ons even aarzelend aan, schraapte zijn keel en vroeg toen: “Zijn jullie bekend met het boek van Mormon?” De verwarring moet van onze gezichten te lezen geweest zijn. We hadden geen Mormoonse zendeling verwacht in het park waar we al zolang onze rondjes liepen. Wel wisten we dat er Mormonen actief waren in de stad, maar dat waren de ‘cycling Mormons’: jonge mannen die met zijn tweeën, gekleed als kantoormannen, de schoenen netjes gepoetst, Las Vegas door fietsen, speurend naar aanspreekbare voetgangers, ongeacht het jaargetijde, ongeacht de temperatuur, en altijd met frisse gezichten. Hoe zouden ze gereageerd hebben, vroegen we ons vaak af als we ze door het drukke verkeer zagen manouevreren, bij het openmaken van de grote witte envelop met daarin hun missiebestemming. Teleurgesteld of juist enthousiast bij het idee naar de City of Sins te worden gestuurd? Werden ze door hun vrienden aanmoedigend op de schouders geslagen vanwege deze grote uitdaging?

mormon1
Fietsende Mormoon op missie in Las Vegas. Zijn partner buiten beeld.

Van elke Mormoonse jongen wordt als hij achttien is verwacht dat hij – op eigen kosten – voor twee jaar huis en haard verlaat om zendingswerk te gaan doen. Er hangt dus nogal wat van af naar welke plaats je gestuurd wordt. Aan de andere kant krijgt hij niet de kans de stad waar hij in terecht komt te ontdekken op de manier waarop jonge mensen dat meestal doen. De regels zijn strikt: om 6:30 opstaan, je twee uur onderdompelen in bijbelstudie, vervolgens tussen 9:30 en 21:30 tien uur lang op pad om het Mormoonse geloof te verkondigen. Om 22:30 het licht uit en slapen. Ze mogen het gebied dat ze is toegewezen niet verlaten, mogen niet daten, niet alleen zijn met iemand van het andere geslacht, moeten de slaapkamer, maar mogen niet het bed delen met hun metgezel (die ze niet zelf hebben uitgekozen), mogen niet naar huis of vrienden bellen, maar zijn wel verplicht wekelijks een brief of e-mail te schrijven aan hun ouders. Deze omstandigheden in overweging nemend, maakt het misschien niet heel veel uit of je uitgezonden wordt naar Ames in Iowa of naar Las Vegas. Wel heb je als fietser meer kans om in Las Vegas door een auto geschept te worden.

Voor David was het anders. Hij behoorde tot de groep oudere Mormonen die ervoor gekozen had de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen zoveel mogelijk te dienen in zijn vrije tijd. Terwijl de zon iets zakte en de omgeving in een steeds gouder licht baadde, begon hij ons te vertellen over een zekere Joseph Smith die in 1823 een aantal goddelijke visioenen had gekregen waaruit het Boek van Mormon was voortgekomen. We luisterden beleefd, maar ik vroeg me de hele tijd af of hij nu ook van dat speciale lange ondergoed droeg dat Mormonen moet beschermen tegen onzuiverheid, en of dat niet heel oncomfortabel was met deze temperaturen. Ondertussen hoorden we hoe Smith bezoek had gekregen van een engel die hem een plek in New York had gewezen waar mysterieuze gouden platen, afkomstig van de eerste bewoners van het Amerikaanse continent, waren begraven. In die platen waren heilige geschriften, die de volledige leer van Jezus Christus zouden bevatten, in een onbekende taal gekerfd. Ondanks dat Smith niet bekend was met die taal, wist hij de geschriften naar het Engels te vertalen: het huidige Boek van Mormon. Best knap, vonden wij. ‘Wonder’ was een beter woord, en begin 19e eeuw waren die heel gewoon.

mormonbookDavid reikte in zijn rugzak en bood ons het bewuste boek aan. Wij aarzelden. “Het is gratis,” moedigde hij ons aan. Omdat we welgemanierd zijn en David niet wilden kwetsen, accepteerden we het boek met de goudkleurige letters op de kaft.
Mijn vrouw en ik lezen elkaar elke avond om de beurt voor uit de bijbel,” tipte David ons.
We bedankten hem voor deze goede suggestie, namen afscheid en verwachtten hem niet meer te zien. Hij was vast terug naar Utah. Daar woonden de Mormonen immers.

Wij zijn niet religieus, maar de bijbel meteen in de container gooien, vonden we wat oneerbiedig. Het boek belandde op de keukentafel.

Een week later gingen we opnieuw naar de Wetlands. Toen we het parkeerterrein opreden, zagen we onze Mormoonse vriend uit een grijze Toyota Prius stappen, een stapeltje bijbels onder zijn arm. Wat huiverig voor een verhoor over wat we geleerd hadden van het Mormomenboek waar we niet in gelezen hadden, maakten we rechtsomkeerd en reden naar de andere kant van het park, waar ook een ingang was. We waren laf, maar opgelucht ontkomen te zijn aan een eventueel kruisverhoor.
Onze vlucht bleek ook nog eens extra goed uit te pakken: tijdens onze wandeling in het andere deel van het park zagen we de ibis terug die kort daarvoor ons appartementencomplex verlaten had.

Thuis zochten we op hoe het nu zat met die Mormonen, waarvan wij dachten dat ze vrijwel allemaal in Utah, in de buurt van het hoofdkwartier in Salt Lake City, woonden. Mis. In en rondom Las Vegas blijken zo’n 105.000 Mormonen te wonen. Dat is 5 procent van de totale bevolking. De Mormonen waren zelfs de eerste blanken hier: in 1855 richtten ze een missiepost op in de vallei, om de Paiute indianen ‘beschaving’ bij te brengen. Een onbegonnen zaak: al na twee jaar werd het Mormon Fort verlaten. Het kwam in de handen van ranchers en de grond werd in 1902 door de spoorwegen gekocht. Met de komst van de spoorlijn ontstond het stadje Las Vegas, dat groeide en waar ook Mormonen zich vestigden. Ze bouwden er hun kerk in 1925, en waren actief in de politiek en het zakenleven.
Nu zou je denken dat in 1931, toen in Nevada casino’s legaal werden, de Mormonen hard weg renden, richting Utah, waar geen enkele vorm van gokken is toegestaan. Blijf dan maar even hangen voor de volgende verrassende wending in dit verhaal.

De Continental Bank of Salt Lake City opende in de jaren vijftig de Bank of Las Vegas, die door een Mormoonse manager gerund werd. Deze manager, Parry Thomas, nam het niet zo nauw met de Mormoonse grondbeginselen: hij was de enige bankier in de stad die best geld wilde lenen aan eigenaren van casino’s. Dankzij zijn leningen konden er nieuwe casino’s gebouwd worden. Dat het Mormoonse geloof elke vorm van verslaving, waaronder gokken, volledig afkeurt, was ondergeschikt aan het belang van goede zaken doen.

las-vegas-1612500_1920

Zo gebeurde het dat de Mormoonse bankier in de jaren zestig de bekende casino-ontwikkelaar Steve Wynn hielp met de aankoop van percelen en het bouwen van casino’s met luxueuze hotels, wat een ander publiek, zij met geld, naar Las Vegas trok. Wynn bouwde de befaamde resort-casino’s op de Strip, zoals The Mirage, Treasure Island en The Bellagio. Dankzij het Mormonengeld groeide de Strip uit tot het extravagante gok-pretpark zoals we dat nu kennen en werd Las Vegas een enorme stad met inmiddels, inclusief de voorsteden, twee miljoen inwoners.

Er verstreek een week voordat we op een middag weer de afslag naar de Wetlands insloegen, ervan overtuigd dat David niet opnieuw deze plek zou uitkiezen voor zijn bekeringsactiviteiten. Het lot, of misschien de God van de Mormomen, had andere plannen met ons. Net toen wij de auto uitstapten, kwam Davids grijze Prius aanrijden. Kreunend snelden we het park in en namen een andere route dan gewoonlijk, buiten het gebied dat de ‘niche’ van de Mormoon was.

Het was heet en er was niet veel schaduw op de paden waar we liepen. Het park leek uitgestorven. Zelfs de Eliza Doolittles (de katoenstaartkonijntjes) lieten zich niet zien. Na een uurtje liepen we terug richting parkeerplaats. We naderden een kruispunt van paden en hoorden van rechts snelle voetstappen naderen. “Dat is hem vast,” fluisterde ik en trok Randy met me mee, die op het kruispunt snel naar rechts keek. Het was David. “Snel doorlopen,” siste ik mijn veel beschaafdere echtgenoot toe. We zetten er flink de pas in, maar hoorden de voetstappen nu achter ons. We snelwandelden door. Een drietal wandelaars kwam ons tegemoet en we hoopten dat dit David af zou leiden. Zijn voetstappen stopten echter niet. Het was niet heel ver meer naar de auto. We konden het halen. Davids benen waren immers een stuk korter dan de onze. De stappen achter ons versnelden zich, tot David op een drafje achter ons aan leek te komen. We gaven op. Het nu op een rennen zetten vonden we te ver gaan. Het bezwete gezicht van David verscheen naast ons. “Hello,” wist hij nog net uit te brengen. Buiten adem stak hij zijn hand naar ons uit:
“I am David”
Herkende hij ons niet? We stelden ons nogmaals voor.
“Heb ik jullie niet al eerder ontmoet?” vroeg David.
Wij beaamden dit.
“En heb ik jullie toen het Boek van Mormon gegeven?”
We knikten bevestigend en biechtten op dat we er nog niet in hadden gelezen.
“Dat had ik wel verwacht” zei David. Hij keek wat teleurgesteld.
“Maar het boek ligt op onze keukentafel,” zeiden wij, om hem hoop voor ons te geven.
“Jullie gaan het nog wel lezen,” zei onze inmiddels iets op adem gekomen zijnde vriend met overtuiging. “De Geest klopt jullie nog wel op de schouder.”

Na dit vertrouwen in onze toekomst te hebben uitgesproken, keerde David snel om, ongetwijfeld om het groepje wandelaars te vinden dat hij zojuist had moeten laten gaan om erachter te komen of wij inmiddels op het goede pad beland waren.

Wat beschaamd liepen we terug naar de auto. We zagen David in een nieuw licht. Wonend in een stad die voor hem moreel verwerpelijk was, maar die ironisch genoeg dankzij zijn kerk een soort Sodom en Gomorra had kunnen worden waar men 24 uur per dag ongelimiteerd kan gokken, drinken en prosititutees bezoeken, geeft hij – evenals de jonge zendelingen die dagelijks hun leven wagen op de fiets – niet op om mensen met zachte hand weg te leiden van al die verdorvenheden. Het is een strijd die niet gewonnen kon worden, maar David’s volharding – als roepende in de woestijn – verdient bewondering.

 

Het Mormoonse geloof komt grotendeels overeen met wat de meeste Christenen geloven. Onderstaande feitjes laten zien dat Mormonen over sommige zaken net wat anders denken:

Mormonen geloven dat de eerste inwoners van Amerika uit het Nabije Oosten (Mesopotamië, Israël) kwamen en dat de Native Americans hiervan afstammen.

Tien procent van het inkomen, liefst meer, moet aan de kerk worden gegeven.

Alcohol en tabak zijn niet toegestaan, evenals caffeïne-houdende dranken als koffie en thee. Hoewel er wat betreft dit laatste punt wat verwarring lijkt te zijn: volgens sommige Mormonen mogen deze dranken wel, zolang ze maar koud worden gedronken; warme dranken zijn uit den boze.

Om de tempel te kunnen betreden moet er jaarlijks een geschiktheidsgesprek plaatsvinden.

Men moet ten alle tijden (met uitzondering van baden en seks) speciaal Mormoons, lang ondergoed dragen. Dit ondergoed biedt magische bescherming. Omdat het daarvoor wel direct contact met de huid moet maken, dienen vrouwen hun BH over het ondergoed heen te dragen. Over dit ondergoed (door de Mormonen “garments” genoemd,  zegt het Boek van Mormon o.a.: “May the lord bless you, and keep your garments spotless”.

Trouw jong, geen seks voor het huwelijk en krijg zoveel mogelijk kinderen.

Zorg voor een voedselvoorraad van tenminste drie maanden in huis – in geval van tijdelijke noodsituaties of voor als de Apocalyps aanbreekt.

De Mormoonse kerk mag niet openlijk bekritiseerd worden. Daarvoor is een comité opgericht (een soort inlichtingendienst) dat over elk lid van de kerk een bestand bijhoudt.

 

All rights reserved © 2017 Dutch Vegas Life / Mayke Kranenbarg

Vreemde vogels in Las Vegas I – De ibis

ibisn ibis2n

Als recente immigrant voel ik me vaak een wat vreemde vogel in Las Vegas. Het is dan prettig als je je kunt identificeren met anderen die hier wat uit de toon vallen. Dat kan een verdwaalde ibis zijn of een Mormoon op bekeringspad in een stad vol zonden…

Deel 1: De ibis

Opeens stond-ie daar, in het gras met zijn poten als lange, net ontsproten twijgen. Een beetje onwennig. Af en toe pikte hij naar iets met zijn gebogen snavel die bijna tot zijn borst reikte. Een witmaskeribis, in hartje Las Vegas. Ver verwijderd van de drassige landjes, de meertjes, de kreken en slootjes waar zo’n vogel haast onopgemerkt samenvalt met het omringende land. Het was volop zomer en met 45 graden zinderend heet. Zo nu en dan gingen de sprinklers aan, maar natter dan dat werd het niet. Ondanks het gebrek aan schaaldiertjes en vis bleef hij drie weken rond ons appartement hangen. Zonder goed gezelschap ook, want de langstaarttroepialen die het gazon als hun territorium beschouwen, mochten hem niet en deden dappere, maar vruchteloze pogingen hem weg te jagen. Eén keer, toen het hem te gortig werd, spreidde hij zijn vleugels in de volle breedte uit en bleef zo tien minuten staan. Een pauw zonder verenpracht, een macho-man zonder teveel spieren. Indruk maakte het wel. De gewoonlijk luidruchtige troepialen waren stil. Daarna lieten ze hem met rust. Dat was fijn, want hij had al een dagtaak aan het vullen van zijn maag met insecten die hij uit het gras pikte. “Ga toch naar de wetlands,” riep ik hem regelmatig toe, “Zo ver is het niet.” 12 kilometer vliegen en hij zat in het paradijs: een wildpark van 1200 ha volop stroompjes en meertjes en boordevol vis.

wetlands    wetlands2

Zelf zoeken wij er vaak onze toevlucht. Het Clark County Wetlands Park, aan de rand van Las Vegas, heeft een verrukkelijk netwerk van 72 km    aan wandel- en fietspaden. De katoenstaartkonijntjes, door ons liefkozend Eliza Doolittles genoemd, zitten er dromerig langs de paden en de helmkwartels stuiven voor je voeten weg, hard achter elkaar aan hollend, altijd netjes in een rijtje, alsof het kommavormige veertje op hun hoofd dat zo bepaalt: helmkwartel, helmkwartel, helmkwartel,…  Bevers knagen er volhardend aan wilgen voor hun dammen. Wasberen schijnen er te wonen, al zijn wij er nooit een tegengekomen, roerdompen ook een coyote sluipt er vrijwel ongezien rond. Er leven honderden soorten vogels, al dan niet op doortrek. Deze zomer hadden wij er nog geen ibis gezien. Wel een roerdomp, die met zijn uil-achtige lijf roerloos in het water stond. In het broedseizoen maakt deze grote moerasvogel een geluid als dat van een verstopte waterpomp.

Het huidige park werd pas in 2001 geopend, maar de wetlands liggen al sinds prehistorische tijden in de vallei die nu Las Vegas heet, en waren een belangrijke vruchtbare plek voor de oude bewoners van dit land. Het stroompje dat vroeger in de Colorado rivier uitmondde, heet nu de Wash en is dankzij de explosief gegroeide stad inmiddels een bijna 20 km lange rivier die in Lake Mead uitkomt. Het gezuiverde afvalwater van 212.000 huishoudens loopt dagelijks de Wash in. Ook overvloedig regenwater uit de kanalen in de stad wordt richting Wash geleid. Als het hier een keer regent, plenst het flink en staan de straten al snel blank, tot grote paniek van veel automobilisten. Het regenwater stroomt met alle olie en andere troep vanaf de wegen de kanalen in om uiteindelijk met dezelfde troep in de wetlands te eindigen. Gelukkig is daar wat slims op gevonden: de vele planten in en rondom het water zuiveren het van alle schadelijke rotzooi. 

Vrijwilligers verwijderen maandelijks de grootste troep die tussen het riet en de waterplanten in de wetlands blijft hangen. We kijken er niet meer vreemd van op dat we, vooral na een storm en daar waar het water het breedst en diepst is, naast heel veel plastic zakken (zonder scrupules uitgereikt door cassières) ook winkelwagentjes (van de daklozen die in de stad naast de kanalen kamperen), kinderspeelgoed en autobanden tussen het riet zien liggen. Aan recycling doet men hier nauwelijks.

Toch gaat het met de Vegas wetlands beter dan ooit. Nadat het gebied in de jaren negentig bijna uitdroogde door erosie, gedijen er nu honderden soorten inheemse bomen, struiken en andere planten die ervoor zorgen dat de vele vogels, reptielen, amfibieën en zoogdieren, waaronder vleermuizen, zich hier net zo thuis voelen als de karpers, groene zonnebaarzen en muskietenvisjes die in de stroompjes rondzwemmen tussen de waterplanten en zo nu en dan op een half vergane elektrische kinderauto stuiten.

Na een week of drie was onze huis-ibis zoek. Ik liep mijn dagelijkse rondje over het terrein van ons appartementencomplex, maar een in het gras pikkende ibis die zenuwachtig wegliep als je te dichtbij kwam, was nergens te bekennen. Was hij op weg naar de kust van Californië of had hij het dichterbij gezocht? De langstaarttroepialen waren in ieder geval tevreden en hadden hun gazon weer terug.

Niet lang daarna bezochten we het Wetlands Park. Het was er vredig. We waren net ontsnapt aan een Mormoon. Zo nu en dan hopte er een Eliza Doolittle over het pad, vinkjes plukten insekten uit de lucht, een geelkopmees zong een drietonig  deuntje. We sloegen een pad in langs de Wash. Voor ons vloog een grote vogel, die aan de rand van het water had gestaan, op. We keken verwonderd naar de langzame slagen van de grote zwarte vleugels, naar de kop met de gebogen snavel. Onze ibis. We wisten het zeker. Verheugd liepen we verder. De ibis was thuisgekomen. butcher-bird

 

 

 

All rights reserved © 2017 Dutch Vegas Life / Mayke Kranenbarg