Vreemde vogels in Las Vegas II – De Mormoon

mormon

Als recente immigrant voel ik me vaak een wat vreemde vogel in Las Vegas. Het is dan prettig als je je kunt identificeren met anderen die hier wat uit de toon vallen. Dat kan een verdwaalde ibis zijn of een Mormoon op bekeringspad in een stad vol zonden…

Deel 2: De Mormoon

Het was een warme namiddag in de wetlands, op dat bijzondere moment net voordat de avond invalt en alles even verstilt, totdat de vogels losbarsten in hun laatste concert van de dag. We hingen over een bruggetje en keken in het water onder ons naar een plecostomus, een grote algenetende meerval die zich traag over de bodem voortbewoog, toen we werden aangesproken door een man van een jaar of zestig. Hij droeg een klein baardje, een bril, een pet, een rugzak en wandelschoenen, en stelde zich voor als David. Randy, mijn man, droeg die dag zijn Death Valley t-shirt met daarop een grote doodskop van een buffel, en dat had David’s interesse gewekt. Hij wilde weten of de ‘vallei des doods’ zich goed leende voor het maken van foto’s. Na wat uitwisselingen over de zoutvlakten, de tweehonderd meter hoge duinen, de zich mysterieus verplaatsende stenen en de enorme krater, viel er een stilte. Hij keek ons even aarzelend aan, schraapte zijn keel en vroeg toen: “Zijn jullie bekend met het boek van Mormon?” De verwarring moet van onze gezichten te lezen geweest zijn. We hadden geen Mormoonse zendeling verwacht in het park waar we al zolang onze rondjes liepen. Wel wisten we dat er Mormonen actief waren in de stad, maar dat waren de ‘cycling Mormons’: jonge mannen die met zijn tweeën, gekleed als kantoormannen, de schoenen netjes gepoetst, Las Vegas door fietsen, speurend naar aanspreekbare voetgangers, ongeacht het jaargetijde, ongeacht de temperatuur, en altijd met frisse gezichten. Hoe zouden ze gereageerd hebben, vroegen we ons vaak af als we ze door het drukke verkeer zagen manouevreren, bij het openmaken van de grote witte envelop met daarin hun missiebestemming. Teleurgesteld of juist enthousiast bij het idee naar de City of Sins te worden gestuurd? Werden ze door hun vrienden aanmoedigend op de schouders geslagen vanwege deze grote uitdaging?

mormon1
Fietsende Mormoon op missie in Las Vegas. Zijn partner buiten beeld.

Van elke Mormoonse jongen wordt als hij achttien is verwacht dat hij – op eigen kosten – voor twee jaar huis en haard verlaat om zendingswerk te gaan doen. Er hangt dus nogal wat van af naar welke plaats je gestuurd wordt. Aan de andere kant krijgt hij niet de kans de stad waar hij in terecht komt te ontdekken op de manier waarop jonge mensen dat meestal doen. De regels zijn strikt: om 6:30 opstaan, je twee uur onderdompelen in bijbelstudie, vervolgens tussen 9:30 en 21:30 tien uur lang op pad om het Mormoonse geloof te verkondigen. Om 22:30 het licht uit en slapen. Ze mogen het gebied dat ze is toegewezen niet verlaten, mogen niet daten, niet alleen zijn met iemand van het andere geslacht, moeten de slaapkamer, maar mogen niet het bed delen met hun metgezel (die ze niet zelf hebben uitgekozen), mogen niet naar huis of vrienden bellen, maar zijn wel verplicht wekelijks een brief of e-mail te schrijven aan hun ouders. Deze omstandigheden in overweging nemend, maakt het misschien niet heel veel uit of je uitgezonden wordt naar Ames in Iowa of naar Las Vegas. Wel heb je als fietser meer kans om in Las Vegas door een auto geschept te worden.

Voor David was het anders. Hij behoorde tot de groep oudere Mormonen die ervoor gekozen had de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen zoveel mogelijk te dienen in zijn vrije tijd. Terwijl de zon iets zakte en de omgeving in een steeds gouder licht baadde, begon hij ons te vertellen over een zekere Joseph Smith die in 1823 een aantal goddelijke visioenen had gekregen waaruit het Boek van Mormon was voortgekomen. We luisterden beleefd, maar ik vroeg me de hele tijd af of hij nu ook van dat speciale lange ondergoed droeg dat Mormonen moet beschermen tegen onzuiverheid, en of dat niet heel oncomfortabel was met deze temperaturen. Ondertussen hoorden we hoe Smith bezoek had gekregen van een engel die hem een plek in New York had gewezen waar mysterieuze gouden platen, afkomstig van de eerste bewoners van het Amerikaanse continent, waren begraven. In die platen waren heilige geschriften, die de volledige leer van Jezus Christus zouden bevatten, in een onbekende taal gekerfd. Ondanks dat Smith niet bekend was met die taal, wist hij de geschriften naar het Engels te vertalen: het huidige Boek van Mormon. Best knap, vonden wij. ‘Wonder’ was een beter woord, en begin 19e eeuw waren die heel gewoon.

mormonbookDavid reikte in zijn rugzak en bood ons het bewuste boek aan. Wij aarzelden. “Het is gratis,” moedigde hij ons aan. Omdat we welgemanierd zijn en David niet wilden kwetsen, accepteerden we het boek met de goudkleurige letters op de kaft.
Mijn vrouw en ik lezen elkaar elke avond om de beurt voor uit de bijbel,” tipte David ons.
We bedankten hem voor deze goede suggestie, namen afscheid en verwachtten hem niet meer te zien. Hij was vast terug naar Utah. Daar woonden de Mormonen immers.

Wij zijn niet religieus, maar de bijbel meteen in de container gooien, vonden we wat oneerbiedig. Het boek belandde op de keukentafel.

Een week later gingen we opnieuw naar de Wetlands. Toen we het parkeerterrein opreden, zagen we onze Mormoonse vriend uit een grijze Toyota Prius stappen, een stapeltje bijbels onder zijn arm. Wat huiverig voor een verhoor over wat we geleerd hadden van het Mormomenboek waar we niet in gelezen hadden, maakten we rechtsomkeerd en reden naar de andere kant van het park, waar ook een ingang was. We waren laf, maar opgelucht ontkomen te zijn aan een eventueel kruisverhoor.
Onze vlucht bleek ook nog eens extra goed uit te pakken: tijdens onze wandeling in het andere deel van het park zagen we de ibis terug die kort daarvoor ons appartementencomplex verlaten had.

Thuis zochten we op hoe het nu zat met die Mormonen, waarvan wij dachten dat ze vrijwel allemaal in Utah, in de buurt van het hoofdkwartier in Salt Lake City, woonden. Mis. In en rondom Las Vegas blijken zo’n 105.000 Mormonen te wonen. Dat is 5 procent van de totale bevolking. De Mormonen waren zelfs de eerste blanken hier: in 1855 richtten ze een missiepost op in de vallei, om de Paiute indianen ‘beschaving’ bij te brengen. Een onbegonnen zaak: al na twee jaar werd het Mormon Fort verlaten. Het kwam in de handen van ranchers en de grond werd in 1902 door de spoorwegen gekocht. Met de komst van de spoorlijn ontstond het stadje Las Vegas, dat groeide en waar ook Mormonen zich vestigden. Ze bouwden er hun kerk in 1925, en waren actief in de politiek en het zakenleven.
Nu zou je denken dat in 1931, toen in Nevada casino’s legaal werden, de Mormonen hard weg renden, richting Utah, waar geen enkele vorm van gokken is toegestaan. Blijf dan maar even hangen voor de volgende verrassende wending in dit verhaal.

De Continental Bank of Salt Lake City opende in de jaren vijftig de Bank of Las Vegas, die door een Mormoonse manager gerund werd. Deze manager, Parry Thomas, nam het niet zo nauw met de Mormoonse grondbeginselen: hij was de enige bankier in de stad die best geld wilde lenen aan eigenaren van casino’s. Dankzij zijn leningen konden er nieuwe casino’s gebouwd worden. Dat het Mormoonse geloof elke vorm van verslaving, waaronder gokken, volledig afkeurt, was ondergeschikt aan het belang van goede zaken doen.

las-vegas-1612500_1920

Zo gebeurde het dat de Mormoonse bankier in de jaren zestig de bekende casino-ontwikkelaar Steve Wynn hielp met de aankoop van percelen en het bouwen van casino’s met luxueuze hotels, wat een ander publiek, zij met geld, naar Las Vegas trok. Wynn bouwde de befaamde resort-casino’s op de Strip, zoals The Mirage, Treasure Island en The Bellagio. Dankzij het Mormonengeld groeide de Strip uit tot het extravagante gok-pretpark zoals we dat nu kennen en werd Las Vegas een enorme stad met inmiddels, inclusief de voorsteden, twee miljoen inwoners.

Er verstreek een week voordat we op een middag weer de afslag naar de Wetlands insloegen, ervan overtuigd dat David niet opnieuw deze plek zou uitkiezen voor zijn bekeringsactiviteiten. Het lot, of misschien de God van de Mormomen, had andere plannen met ons. Net toen wij de auto uitstapten, kwam Davids grijze Prius aanrijden. Kreunend snelden we het park in en namen een andere route dan gewoonlijk, buiten het gebied dat de ‘niche’ van de Mormoon was.

Het was heet en er was niet veel schaduw op de paden waar we liepen. Het park leek uitgestorven. Zelfs de Eliza Doolittles (de katoenstaartkonijntjes) lieten zich niet zien. Na een uurtje liepen we terug richting parkeerplaats. We naderden een kruispunt van paden en hoorden van rechts snelle voetstappen naderen. “Dat is hem vast,” fluisterde ik en trok Randy met me mee, die op het kruispunt snel naar rechts keek. Het was David. “Snel doorlopen,” siste ik mijn veel beschaafdere echtgenoot toe. We zetten er flink de pas in, maar hoorden de voetstappen nu achter ons. We snelwandelden door. Een drietal wandelaars kwam ons tegemoet en we hoopten dat dit David af zou leiden. Zijn voetstappen stopten echter niet. Het was niet heel ver meer naar de auto. We konden het halen. Davids benen waren immers een stuk korter dan de onze. De stappen achter ons versnelden zich, tot David op een drafje achter ons aan leek te komen. We gaven op. Het nu op een rennen zetten vonden we te ver gaan. Het bezwete gezicht van David verscheen naast ons. “Hello,” wist hij nog net uit te brengen. Buiten adem stak hij zijn hand naar ons uit:
“I am David”
Herkende hij ons niet? We stelden ons nogmaals voor.
“Heb ik jullie niet al eerder ontmoet?” vroeg David.
Wij beaamden dit.
“En heb ik jullie toen het Boek van Mormon gegeven?”
We knikten bevestigend en biechtten op dat we er nog niet in hadden gelezen.
“Dat had ik wel verwacht” zei David. Hij keek wat teleurgesteld.
“Maar het boek ligt op onze keukentafel,” zeiden wij, om hem hoop voor ons te geven.
“Jullie gaan het nog wel lezen,” zei onze inmiddels iets op adem gekomen zijnde vriend met overtuiging. “De Geest klopt jullie nog wel op de schouder.”

Na dit vertrouwen in onze toekomst te hebben uitgesproken, keerde David snel om, ongetwijfeld om het groepje wandelaars te vinden dat hij zojuist had moeten laten gaan om erachter te komen of wij inmiddels op het goede pad beland waren.

Wat beschaamd liepen we terug naar de auto. We zagen David in een nieuw licht. Wonend in een stad die voor hem moreel verwerpelijk was, maar die ironisch genoeg dankzij zijn kerk een soort Sodom en Gomorra had kunnen worden waar men 24 uur per dag ongelimiteerd kan gokken, drinken en prosititutees bezoeken, geeft hij – evenals de jonge zendelingen die dagelijks hun leven wagen op de fiets – niet op om mensen met zachte hand weg te leiden van al die verdorvenheden. Het is een strijd die niet gewonnen kon worden, maar David’s volharding – als roepende in de woestijn – verdient bewondering.

 

Het Mormoonse geloof komt grotendeels overeen met wat de meeste Christenen geloven. Onderstaande feitjes laten zien dat Mormonen over sommige zaken net wat anders denken:

Mormonen geloven dat de eerste inwoners van Amerika uit het Nabije Oosten (Mesopotamië, Israël) kwamen en dat de Native Americans hiervan afstammen.

Tien procent van het inkomen, liefst meer, moet aan de kerk worden gegeven.

Alcohol en tabak zijn niet toegestaan, evenals caffeïne-houdende dranken als koffie en thee. Hoewel er wat betreft dit laatste punt wat verwarring lijkt te zijn: volgens sommige Mormonen mogen deze dranken wel, zolang ze maar koud worden gedronken; warme dranken zijn uit den boze.

Om de tempel te kunnen betreden moet er jaarlijks een geschiktheidsgesprek plaatsvinden.

Men moet ten alle tijden (met uitzondering van baden en seks) speciaal Mormoons, lang ondergoed dragen. Dit ondergoed biedt magische bescherming. Omdat het daarvoor wel direct contact met de huid moet maken, dienen vrouwen hun BH over het ondergoed heen te dragen. Over dit ondergoed (door de Mormonen “garments” genoemd,  zegt het Boek van Mormon o.a.: “May the lord bless you, and keep your garments spotless”.

Trouw jong, geen seks voor het huwelijk en krijg zoveel mogelijk kinderen.

Zorg voor een voedselvoorraad van tenminste drie maanden in huis – in geval van tijdelijke noodsituaties of voor als de Apocalyps aanbreekt.

De Mormoonse kerk mag niet openlijk bekritiseerd worden. Daarvoor is een comité opgericht (een soort inlichtingendienst) dat over elk lid van de kerk een bestand bijhoudt.

 

All rights reserved © 2017 Dutch Vegas Life / Mayke Kranenbarg

Vreemde vogels in Las Vegas I – De ibis

ibisn ibis2n

Als recente immigrant voel ik me vaak een wat vreemde vogel in Las Vegas. Het is dan prettig als je je kunt identificeren met anderen die hier wat uit de toon vallen. Dat kan een verdwaalde ibis zijn of een Mormoon op bekeringspad in een stad vol zonden…

Deel 1: De ibis

Opeens stond-ie daar, in het gras met zijn poten als lange, net ontsproten twijgen. Een beetje onwennig. Af en toe pikte hij naar iets met zijn gebogen snavel die bijna tot zijn borst reikte. Een witmaskeribis, in hartje Las Vegas. Ver verwijderd van de drassige landjes, de meertjes, de kreken en slootjes waar zo’n vogel haast onopgemerkt samenvalt met het omringende land. Het was volop zomer en met 45 graden zinderend heet. Zo nu en dan gingen de sprinklers aan, maar natter dan dat werd het niet. Ondanks het gebrek aan schaaldiertjes en vis bleef hij drie weken rond ons appartement hangen. Zonder goed gezelschap ook, want de langstaarttroepialen die het gazon als hun territorium beschouwen, mochten hem niet en deden dappere, maar vruchteloze pogingen hem weg te jagen. Eén keer, toen het hem te gortig werd, spreidde hij zijn vleugels in de volle breedte uit en bleef zo tien minuten staan. Een pauw zonder verenpracht, een macho-man zonder teveel spieren. Indruk maakte het wel. De gewoonlijk luidruchtige troepialen waren stil. Daarna lieten ze hem met rust. Dat was fijn, want hij had al een dagtaak aan het vullen van zijn maag met insecten die hij uit het gras pikte. “Ga toch naar de wetlands,” riep ik hem regelmatig toe, “Zo ver is het niet.” 12 kilometer vliegen en hij zat in het paradijs: een wildpark van 1200 ha volop stroompjes en meertjes en boordevol vis.

wetlands    wetlands2

Zelf zoeken wij er vaak onze toevlucht. Het Clark County Wetlands Park, aan de rand van Las Vegas, heeft een verrukkelijk netwerk van 72 km    aan wandel- en fietspaden. De katoenstaartkonijntjes, door ons liefkozend Eliza Doolittles genoemd, zitten er dromerig langs de paden en de helmkwartels stuiven voor je voeten weg, hard achter elkaar aan hollend, altijd netjes in een rijtje, alsof het kommavormige veertje op hun hoofd dat zo bepaalt: helmkwartel, helmkwartel, helmkwartel,…  Bevers knagen er volhardend aan wilgen voor hun dammen. Wasberen schijnen er te wonen, al zijn wij er nooit een tegengekomen, roerdompen ook een coyote sluipt er vrijwel ongezien rond. Er leven honderden soorten vogels, al dan niet op doortrek. Deze zomer hadden wij er nog geen ibis gezien. Wel een roerdomp, die met zijn uil-achtige lijf roerloos in het water stond. In het broedseizoen maakt deze grote moerasvogel een geluid als dat van een verstopte waterpomp.

Het huidige park werd pas in 2001 geopend, maar de wetlands liggen al sinds prehistorische tijden in de vallei die nu Las Vegas heet, en waren een belangrijke vruchtbare plek voor de oude bewoners van dit land. Het stroompje dat vroeger in de Colorado rivier uitmondde, heet nu de Wash en is dankzij de explosief gegroeide stad inmiddels een bijna 20 km lange rivier die in Lake Mead uitkomt. Het gezuiverde afvalwater van 212.000 huishoudens loopt dagelijks de Wash in. Ook overvloedig regenwater uit de kanalen in de stad wordt richting Wash geleid. Als het hier een keer regent, plenst het flink en staan de straten al snel blank, tot grote paniek van veel automobilisten. Het regenwater stroomt met alle olie en andere troep vanaf de wegen de kanalen in om uiteindelijk met dezelfde troep in de wetlands te eindigen. Gelukkig is daar wat slims op gevonden: de vele planten in en rondom het water zuiveren het van alle schadelijke rotzooi. 

Vrijwilligers verwijderen maandelijks de grootste troep die tussen het riet en de waterplanten in de wetlands blijft hangen. We kijken er niet meer vreemd van op dat we, vooral na een storm en daar waar het water het breedst en diepst is, naast heel veel plastic zakken (zonder scrupules uitgereikt door cassières) ook winkelwagentjes (van de daklozen die in de stad naast de kanalen kamperen), kinderspeelgoed en autobanden tussen het riet zien liggen. Aan recycling doet men hier nauwelijks.

Toch gaat het met de Vegas wetlands beter dan ooit. Nadat het gebied in de jaren negentig bijna uitdroogde door erosie, gedijen er nu honderden soorten inheemse bomen, struiken en andere planten die ervoor zorgen dat de vele vogels, reptielen, amfibieën en zoogdieren, waaronder vleermuizen, zich hier net zo thuis voelen als de karpers, groene zonnebaarzen en muskietenvisjes die in de stroompjes rondzwemmen tussen de waterplanten en zo nu en dan op een half vergane elektrische kinderauto stuiten.

Na een week of drie was onze huis-ibis zoek. Ik liep mijn dagelijkse rondje over het terrein van ons appartementencomplex, maar een in het gras pikkende ibis die zenuwachtig wegliep als je te dichtbij kwam, was nergens te bekennen. Was hij op weg naar de kust van Californië of had hij het dichterbij gezocht? De langstaarttroepialen waren in ieder geval tevreden en hadden hun gazon weer terug.

Niet lang daarna bezochten we het Wetlands Park. Het was er vredig. We waren net ontsnapt aan een Mormoon. Zo nu en dan hopte er een Eliza Doolittle over het pad, vinkjes plukten insekten uit de lucht, een geelkopmees zong een drietonig  deuntje. We sloegen een pad in langs de Wash. Voor ons vloog een grote vogel, die aan de rand van het water had gestaan, op. We keken verwonderd naar de langzame slagen van de grote zwarte vleugels, naar de kop met de gebogen snavel. Onze ibis. We wisten het zeker. Verheugd liepen we verder. De ibis was thuisgekomen. butcher-bird

 

 

 

All rights reserved © 2017 Dutch Vegas Life / Mayke Kranenbarg